één

Voir aussi : EEn, Een, -een, -éen, een

Néerlandais

Nom commun

één

  1. Le nombre et le chiffre un.
    • Alle vormwijzigingen die alleen optreden in één of een beperkt aantal grammaticale categorieën, worden in de volgende hoodstukken, die over de grammatica, behandeld.  (Sera De Vriendt, Grammatica van het Brussels, page 11)
      La traduction en français de l’exemple manque. (Ajouter)

Variantes orthographiques

Apparentés étymologiques

Taux de reconnaissance

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 98,0 % des Flamands,
  • 98,9 % des Néerlandais.

Prononciation

Références

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal [≈ Reconnaissance du vocabulaire des Néerlandais et des Flamands 2013 : résultats de la grande enquête nationale sur les langues], Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 pages. → [archive du fichier pdf en ligne]