aanvangen

Néerlandais

Étymologie

À rapprocher de l’allemand anfangen.

Verbe

Présent Prétérit
ik vang aan ving aan
jij vangt aan
hij, zij, het vangt aan
wij vangen aan vingen aan
jullie vangen aan
zij vangen aan
u vangt aan ving aan
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben, zijn vangen aand aangevangen

aanvangen \Prononciation ?\ intransitif ou transitif

  1. Débuter, commencer, prendre effet (à telle date)/
  2. (Transitif) Commencer, aborder.
    • Een reis aanvangen.
      Entreprendre un voyage.
    • Een werk aanvangen.
      Entamer un travail, s’atteler à un travail.

Synonymes

Antonymes

Taux de reconnaissance

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 99,2 % des Flamands,
  • 97,9 % des Néerlandais.

Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)

Références

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal [≈ Reconnaissance du vocabulaire des Néerlandais et des Flamands 2013 : résultats de la grande enquête nationale sur les langues], Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 pages. → [archive du fichier pdf en ligne]