bewenen

Néerlandais

Étymologie

Dérivé par préfixation de wenen .

Verbe

bewenen transitif

Présent Prétérit
ik beween beweende
jij beweent
hij, zij, het beweent
wij bewenen beweenden
jullie bewenen
zij bewenen
u beweent beweende
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben bewenend beweend
  1. Regretter.
    • Exemple d’utilisation manquant. (Ajouter)

Anciennes orthographes

  • beweenen

Synonymes

Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)