gummijas
Néerlandais
Étymologie
Nom commun
| Nombre | Singulier | Pluriel |
|---|---|---|
| Nom | gummijas | gummijassen |
| Diminutif | — | — |
gummijas \Prononciation ?\
- (Habillement) Mackintosh.
De pijn in zijn scheenbeen kwam en ging met de wolken die vanuit de Atlantische Oceaan aan kwamen rollen, en hij en Lili gingen dan vanuit de casita op pad onder hun paraplu’s, Lili in haar roze gummijas die zo zwaar leek dat Greta bang was dat ze onder het gewicht zou bezwijken.
— (David Ebershoff, Het Deense meisje, Ambo|Anthos, 2016)- La traduction en français de l’exemple manque. (Ajouter)
Variantes orthographiques
- gummi-jas (Orthographe de 2006)