zìjn
Néerlandais
Forme de pronom
zìjn \zən\
- (Désuet) Forme emphatique de zijn ; normalement écrit zíj́n ou zíjn avec l’orthographe de 1995 ou 2006.
Niets, niets verbidt dien marm'ren onheilstichter;
— (Bernardus Gertrudes de Vries van Heyst, « Immortellen », dans De Tijdspiegel, no 40, 1883)
zìjn macht verbreekt geen macht, van mensch, van held, of God...- La traduction en français de l’exemple manque. (Ajouter)